|
Symposium levert stof tot nadenken door Christine Linneweever / De Paardenkrant
UGCHELEN - Het in De Cantharel in Ugchelen gehouden symposium, dat door de Nationale Eliteveiling Borculo georganiseerd werd, was een groot succes. Hoewel het thema "selecteren, investeren en presteren" al zo oud is als de fokkerij zelf, leverde het toch een aantal heel nieuwe en bijzondere inzichten op. De gastsprekers, Cor Loeffen, Dr.Ulf Mller, Egbert Schep en Ger Visser kwamen alle vier met een leuke en genuanceerde visie op het thema. Over een aantal zaken was het viertal het goed met elkaar eens, terwijl er over andere zaken duidelijk verschil van mening was. De deelnemers aan het symposium kregen vier stellingen voorgelegd. Over elke stelling werd per tafel onder leiding van een ter zake deskundige tafelheer of -vrouw een kwartier gediscussieerd. Daarna werd door Piet Buwalda en Bert de Ruiter de mening in de zaal gepeild. Doordat zich een gemleerd gezelschap voor het symposium had gemeld (jong, oud, grote en kleine fokkers, gebruikers en eigenaren) leverde dat af en toe heel opvallende uitspraken op. Inteelt bevorderlijk? De eerste stelling was: Inteelt is bevorderlijk voor de gerichte fokkerij van topsportpaarden. In het buitenland, met name Duitsland, wordt inteelt nog al eens toegepast en is het veel meer geaccepteerd dan in Nederland. Egbert Schep liet er geen onduidelijkheid over zijn mening over deze stelling bestaan: "Lijnteelt is armoe. Er zijn te weinig goede hengsten om lijnteelt mee toe te passen. Als lijnteelt werkelijk succesvol zou zijn, dan zouden er veel meer goede paarden rondlopen". Tijdens de discussieronde bleken de meningen sterk uiteen te lopen. Een aantal fokkers zag er de positieve kanten wel van in. Zeker in het geval van lijnteelt zouden de positieve eigenschappen van een bepaalde merrielijn in een product kunnen worden verankerd of zelfs verstevigd. Toch waren er ook zeker geluiden te horen die minder positief waren. Inteelt en lijnteelt kunnen ook een negatief effect hebben. Bovendien is de bloedspreiding breed genoeg om inteelt en lijnteelt onnodig te maken. Herman Roelofs uit Den Ham, die als tafelheer fungeerde, kreeg ook het woord. Van Roelofs is het bekend dat hij af en toe gebruik maakt van inteelt of lijnteelt, maar ook hij waarschuwde voor de effecten. "Iedereen weet dat we binnen onze fokkerij veel gebruik hebben gemaakt van Joost en Abgar en dat we daar soms inteelt op hebben gepleegd. Het is mijn ervaring dat het een positief effect op de fokkerij kan hebben, vooral als het wat verder weg zit in de pedigree", aldus Roelofs. Dubbeldoelpaard Aan de tweede stelling lag de specialisatie ten grondslag. Die luidde namelijk: het verdwijnen van het dubbeldoelpaard is een verschraling van de fokkerij. Opvallend was dat alle vier de sprekers het eens waren over de specialisatie binnen de fokkerij. Dat was volgens hen een must voor de vooruitgang van de sport. Schep: "Niet de fokkerij maar de sport bepaald de specialisatie in de fokkerij. De tijd dat een ruiter 's morgens Z dressuur reed en 's middags met het zelfde paard een Z parcours rond sprong is voorbij. De markt vraagt dus om een dressuurpaard of een springpaard en de fokker moet zo dicht mogelijk op de markt gaan zitten. Dus specialisatie." Cor Loeffen en Egbert Schep gaven beide aan dat daarbij ook het belang van een aansprekend exterieur steeds verder op de achtergrond raakt. Zeker in de springpaardfokkerij is functionaliteit veel belangrijker geworden. Aansprekend kwam in het rijtje van belangrijke eigenschappen van een springpaard op de laatste plaats. Bij een dressuurpaard weegt de factor aansprekendheid wel wat zwaarder, maar volgens Ulf Mller ook niet zwaarder dan functionaliteit. Daarbij werden Bonfire en Gigolo als voorbeelden genoemd. Mller noemde wel verschillende andere zaken die hij belangrijk vindt aan een dressuurpaard. Hij noemde de basisgangen, maar belangrijker nog de balans. Daarnaast hecht hij veel waarde aan een goed karakter en een fijne mond. "Want een dressuurpaard wordt niet gefokt, maar gemaakt en daarvoor zijn eigenschappen als een goed karakter en een fijne mond heel belangrijk", aldus Mller. Tijdens de discussieronde bleek de mening in de zaal veel minder uitgesproken voor specialisatie. Zij zien wel de noodzaak van de specialisatie, maar zien het dubbeldoelpaard liever niet helemaal verdwijnen. Fokkers willen wel specialiseren, maar blijven aansprekendheid ook een belangrijke factor vinden. Ook met het oog op het verkopen van een veulen. Daarnaast moet een dressuurpaard in hun ogen toch een zes voor het springen kunnen scoren en een springpaard een zes voor de basisgangen. Met name in de dressuurrichting is de Nederlandse fokkerij nog niet toe aan specialisatie. Daarvoor is er in het materiaal nog te weinig draagvlak. Tineke Bartels: "Bovendien heb ik het liefst een dressuurpaard met de instelling van een springpaard". Z-merrie of stermerrie De derde stelling, liever een Z-merrie dan een stermerrie, werd begeleid door de mededeling dat het niet de bedoeling was dat iedereen nu ging zeggen dat een stermerrie op Z-niveau ideaal is. Er werd een duidelijke keuze gevraagd. De vier sprekers hadden in hun betoog allemaal benadrukt dat toch vooral het belang van een goede merrie en een sterke merrielijn niet onderschat moest worden en dat prestaties een belangrijke graadmeter zijn bij het bepalen van de waarde van een fokmerrie. Met name Ulf Mller pleitte er voor de beste merries aan te houden voor de fokkerij en ze niet bij het eerste bod te verkopen. "Het beste sportpaard is ook de beste fokmerrie", is Ulf Mller van mening. Egbert Schep: "Nu gebeurt het nog al eens dat merries die lichamelijk of qua karakter net niet goed genoeg zijn voor de sport in de fokkerij terecht komen. Een merrie met veel talent inzetten voor de fokkerij vinden veel mensen zonde. Bovendien neigt een fokker al snel tot verkopen als hij een goed bod krijgt op een dergelijke merrie. Dat is begrijpelijk, maar het is voor de fokkerij geen goede zaak". Cor Loeffen ziet ook het liefst een merrielijn die generaties lang prestatiepaarden heeft geleverd. In de zaal was de mening verdeeld. Steeds meer mensen zien het belang van prestaties voor het uitzetten van het beleid in de fokkerij, maar de meeste willen een mooi paard als fokdoel ook nog niet loslaten. Gert Willem van Norel koos voor de stermerrie en had daarbij de volgende redenatie: "Ik heb vertrouwen in de jury die mijn paard beoordeeld op beweging en exterieur. Een paard dat door hen goed genoeg wordt bevonden voor het predikaat ster, moet ook in de sport kunnen presteren. Ik heb het dan trouwens niet over Z-niveau, want daarna begint het eigenlijk pas. Ik denk dan meer aan lichte tour-niveau". Dat bleken veel mensen met hem eens te zijn. Ook Leunus van Lieren was dat met hem eens, maar meldde ook dat de fokkers die bij hem aan de tafel zaten aan het predikaat ster belang hechtten omdat de merrie daarmee gemakkelijker te verkopen zou zijn. De mensen die voor het Z-paard kozen meenden dat een klassering in de klasse Z meer over het interieur (karakter) en kwaliteit van een paard vertelde, dan het predikaat ster. Adrie Gordijn tekende daarbij aan dat dat wel afhankelijk was van hoe dat paard in de klasse Z terecht gekomen was. Volgens hem zegt de klassering in de klasse Z veel minder over een paard als het betreffende paard daarin een paar keer wordt uitgebracht door een professionele ruiter, dan wanneer een paard door een (semi)amateur van de klasse B naar de klasse Z was gereden. Ook daar konden veel mensen zich in vinden. Mede-eigenaar De vierde en laatste stelling was: een fokker moet bereid zijn om langer mede-eigenaar te blijven van zijn fokproduct. De opfokkers zouden dat veelal graag zien, maar de fokkers hebben daar vaak de mogelijkheden niet toe. Bovendien vroegen veel fokkers zich af of ze hun investering ooit terug zouden krijgen. Aan de tafel van tafelvoorzitter Ton de Kok zaten een aantal grote fokkers die aangaven dat ze best wilden investeren. De kleinere fokkers vonden het risico te groot en hadden het idee dat ze de zeggenschap over het paard kwijt raakten. Zijn vrouw Mieke de Kok, die aan een andere tafel als tafelvoorzitter fungeerde, had vooral kleine fokkers om zich heen en zij gaf aan dat ze dat de bereidheid er wel was, maar dat het voor hen vaak niet haalbaar was. Niet alleen financieel, maar ook praktisch: stallingsruimte kan een probleem zijn en het opfokken van hengsten in een fokstal levert vaak ook problemen op. Ger Visser kon het zich goed voorstellen. Als geen ander weet hij hoe lang de weg is en hoeveel risico's je loopt. Overisges had Visser een betoog dat wat los stond van de anderen, maar hij had wel een aantal opvallende uitspraken. Zoals bijvoorbeeld dat het een misverstand is dat de topsport niet zonder de basissport kan. In zijn visie is het namelijk precies andersom. "De basissport kan niet zonder topsport. Helden zijn nodig om je aan te spiegelen. Dat kun je zien aan het effect dat de successen van Anky op de dressuursport heeft", aldus Visser. Een winnaarsmentaliteit is volgens Visser van groot belang. Het tevreden zijn met een mooi rondje en een balkje of een vijfde plaats tijdens de landenwedstrijd van de Olympische Spelen past niet in zijn visie. Hij citeerde daarbij tophockeyer en oud-international Ties Kruize: winnen is niet alles, het is het enige. Opvallend in zijn betoog was voorts zijn pleidooi voor het al vroeg beginnen met de training van een paard. Om de top te bereiken moet een paard volgens zijn zeggen al op heel jonge leeftijd in training genomen worden. Eerst twee veulens van een merrie fokken, voordat ze de sport in gaat, is volgens hem geen optie. Beginnen met een zesjarige merrie leverde volgens hem problemen op het atletische vlak op. |